Schaakmat
'Nu ben ik alleen over. Zo voelt het.'
Woensdagmiddag op begraafplaats De Nieuwe Ooster. David (57) vouwt zijn meegebrachte campingstoeltje op en neemt de gieter waarmee hij de plantjes water gaf weer mee. Hij bezocht zijn vader en zijn broer die kort na elkaar overleden.
‘We schaakten altijd met elkaar. Dus om in die termen te blijven: de schaakmat van mijn dementerende vader zagen we aankomen. De plotselinge dood van mijn broer John voelde als vals spel. We dachten dat we er prima voor stonden, tot de dood John in één zet van het bord veegde.’
‘Een paar weken na de dood van mijn vader belde mijn broer. Hij vertelde me dat hij zich niet goed voelde. Die nacht zaten we samen in het ziekenhuis. Hij mocht niet naar huis. Er mankeerde hem van alles. Twee weken later liep hij de draaideur uit met dertien verschillende medicijnen en een plekje op de wachtlijst voor een bypass operatie. Die kon hij thuis afwachten.’
‘Een aantal weken gingen voorbij. Het was op een maandag dat ik hem aan de telefoon had. Hij was bij de cardioloog geweest voor controle. De arts had een onregelmatig hartritme geconstateerd, maar dat was weer genormaliseerd. John vertelde dat hij lasagne ging maken, zijn specialiteit. Ik was een beetje beledigd dat hij me niet uitnodigde om te komen eten. Maar ik zou de volgende dag langskomen en dan zou ik een bakje meekrijgen.’
‘Die dinsdag ben ik niet langs gegaan, ik was heel moe. Ik heb hem gebeld, maar hij nam niet op. Ik dacht daar niets van. Vrijdag kreeg ik een bericht van een collega van hem, dat ze hem niet konden bereiken. Toen pas gingen bij mij alle alarmbellen af.’
‘Ik ben naar zijn huis gegaan. Hij deed niet open. Ik zag het keukenraam openstaan van zijn woning op twee hoog. In het trappenhuis, bij zijn voordeur, belde ik nog eens zijn nummer. Ik hoorde door de deur heen zijn huistelefoon en mobiele telefoon overgaan maar hij nam niet op. Ook voelde ik dat de deur van binnenuit op slot was. Dan blijft er nog maar één optie open hè?’
‘Samen met vier politieagenten heb ik anderhalf uur gewacht op de sleutelmaker die het slot open kwam slijpen. Het was koud in het trappenhuis. De agenten gingen als eerste zijn huis in. Ze vonden hem in de kleine kamer naast zijn slaapkamer. Hij was voorover op zijn neus gevallen en lag daar zo al vier dagen. ‘Ga maar niet kijken’ zeiden ze tegen me. Op de keukentafel stonden twee bakjes lasagne.’
‘Ik heb geen andere broers of zussen en mijn moeder overleed al toen ik elf was. Nu ben ik alleen over. Zo voelt het, zelfs al heb ik een vrouw en twee kinderen. Ik heb de trouwringen van mijn ouders en die van mijn broer aan elkaar laten smelten en die draag ik nu om mijn nek. Zo houd ik ze een beetje bij me.’
‘Het is nu meer dan zeven maanden geleden dat mijn broer overleed. Vorige week deed ik mee aan het schaaktoernooi in de bollenstreek waar we jarenlang samen aan deelnamen; mijn vader, broer en ik. Als kind deed ik al mee met dat toernooi. Er is zelfs een beker met onze familienaam die in een bepaalde klasse wordt uitgereikt. Dit jaar heb ik die beker gewonnen, zo goed speelde ik. “Je was natuurlijk niet alleen hè,” zei mijn vrouw. Dat klopt. Op de ene schouder zat mijn vader, op de andere mijn broer.’


