Ongemak op De Nieuwe Ooster
'Hoe erg heb je het?'
Deze blog is een zoektocht naar een andere benadering van de dood. Voor wat ervaringen uit de praktijk fietste ik gister naar begraafplaats De Nieuwe Ooster in Amsterdam. Ik heb me voorgenomen die tocht wekelijks te maken en iemand daar te interviewen. Zo kan ik jou, mijn trouwe lezer, structureel voorzien van overdenkingen rond de dood.
Wat ongemakkelijk loop ik over de uitgestrekte begraafplaats. Conceptueel is dit een goed idee. Maar in de praktijk? Nu ik hier rondloopt, telefoon met microfoon in de aanslag, voel ik me een ramptoerist. Een stel is met een gieter en een bezem in de weer. Ze bezemen blaadjes weg en boenen groene aanslag van een grafsteen. De naam en vooral de data op de steen kan ik net niet lezen. Hoe vers is het verlies? Zogenaamd achteloos loop ik dan maar voorbij.
De begraafplaats is prachtig, zoals tuinarchitect Leonard Springer eind negentiende eeuw voor ogen had: ‘Het moet niet somber en droefgeestig zijn, opdat men niet huivert erheen te gaan. Men trachtte er de natuur in haar lieflijkste eenvoudige vormen weer te geven. Want het is de plaats waar men het lichaam teruggeeft aan de aarde waaraan het ontleend werd.’
Als ik de hoek omsla zie ik het stel wederom boenen, ditmaal een ander graf. Wie is hier nou de ramptoerist, denk ik, maar ik durf ze nog steeds niet aan te spreken. Wat ga ik vragen dan? ‘Wat doen jullie hier?’ of ‘Hoe erg heb je het?’
Dan zie ik twee innig gearmde vriendinnen lopen. Ik ga ervoor. ‘uh.. Wat brengt jullie hier vandaag?’ Ze komen bij het monument ‘Ter nagedachtenis aan hen die voor ons allen hun lichaam schonken aan de wetenschap’ vandaan. Wat volgt is een prima gesprekje. Ik vraag en zij antwoorden. Het is mooi. Niet heel opwindend. Maar het heeft een begin, midden en eind.
Vlijtig typ ik een stukje dat ik voorleg aan de dames voor hun toestemming. No go. ‘Het dekt de lading niet.’ Hoe ga ik de woorden vinden die gemis omvatten?
Ik geef niet meteen op. Een bont gezelschap staat bij een graf nog zonder grafsteen. Een vader met getatoeëerde armen, dochter met piercings in haar gezicht en een jonge kleindochter zetten een plant neer. ‘We komen voor mijn oom Jantje, Jantje van Amsterdam, die een paar maanden geleden is overleden.' ‘Dé Jantje van Amsterdam?!’ vraag ik opgewonden, ‘degene over wie de legendarische documentaire Foute Vrienden gemaakt is?’ ‘Ja, die,’ beaamt het nichtje. ‘Wow dat meen je niet?!’ is mijn journalistiek verantwoorde respons. Vandaar gaat het bergafwaarts, met als dieptepunt: ‘Mijn man vond hem geweldig, wilde onze boot naar hem vernoemen.’ In mijn ooghoek zie ik een groene tuinkabouter die zijn middelvinger naar me opsteekt, en terecht.
Volgende keer beter.


